Het Kalimantan van de Dajaks gaat kapot

Centraal Kalimantan. Met mijn Dajak vriendin Yuyu ga ik twee dagen op bezoek bij haar oom in een klein dorp op twee uur rijden van de dichtstbijzijnde stad.

Al op weg valt me op dat ik zowat nergens echt oerwoud zie. 
Ik dacht het wilde Kalimantan te gaan zien maar het is een  totaal vlak landschap met voor het grootste deel in cultuur gebracht land.
Dat zijn dan meestal oliepalmen (Kelapa Sawit), de spijsolie waar ze hele oerwouden voor kappen, om er goedkope chocola, koekjes en zeep van te maken.Verbrand bosOok de resten van verbrand bos zijn overal te zien doordat het allemaal struiken zijn waar we langs rijden. Geen bomen, hier en daar steekt een verkoolde stronk uit de grond. Dat branden zal op dit moment niet gauw opnieuw gebeuren omdat het hier regent zoals het zelden geregend heeft. Alle land is continue door en door nat. Het seizoen is van slag.

Yuyu legt me uit dat alles op afstand van een paar kilometer van de weg in cultuur gebracht is omdat het makkelijk bereikbaar is. Willen we echt het oerwoud in dan moeten we een flink stuk van de weg af. En dat gaan we met haar oom doen.

Haar oom, Pak Alim, is een trotse Dajak, maar blijkt ook een heel rustige, bijna verlegen beminnelijke man van 68 met een echtgenote van 53 die constant lijkt te mopperen over van  alles. Maar volgens Yuyu heeft ze een hart van goud. En ik krijg er inderdaad af een toe een glimlach uit, en zij lijkt bijna verbaasd dat ze dat nog kan.

Wij zijn arm omdat we ons bos niet willen verkopen

Pak Alim woont in een mooi stevig oud houten huis in een klein dorpje van zo’ n 20 woningen. De meeste echter van steen met een auto voor de Pak Alimdeur. In het bos wonen is er voor de meeste Dajaks niet meer bij. Hij excuseert zich voor het armoedige huis, dat ik juist zo mooi vind.
“Wij zijn arm”, zegt hij, “omdat we ons bos niet willen verkopen of te gelde willen maken”.
Er is veel land en dus goedkoop en met een beetje kapitaal heb je zo honderd hectare gekocht en kan er dan met machines en werkkracht geld van gaan maken en nog meer grond kopen. Wat veel mensen van buiten dan ook gedaan hebben.
Want de oorspronkelijke inwoners zijn zwaar in de minderheid. Ik las ergens 15%. Veel transmigratie binnen Indonesie, door bijvoorbeeld de overbevolking op Java, ging naar Kalimantan. Grond genoeg.

De oorspronkelijke Dajaks houden van het bos. Ze zien het niet graag verwoest zoals ze overal om zich heen zien gebeuren: het dure hout word gekapt en voor veel geld verkocht, er worden monoculturen geplant en alle oude tradities verdwijnen in sneltreinvaart.

Zijn tweede vrouw

‘s-Avonds zitten we samen te eten met zijn vieren. De genset (generator) ronkt rustig op de achtergrond omdat er anders geen licht is.
Zijn vrouw blijkt zijn tweede vrouw omdat zijn eerste plotseling zonder reden overleden is. Toen kon hij alleen voor zijn 5 kinderen zorgen. Dat deed hij jarenlang en wilde nooit meer opnieuw trouwen.
Maar hij kreeg een huidziekte. Mensen begonnen hem te mijden omdat ze dachten dat hij lepra had. Hij verloor een paar vingers en een paar tenen en kon steeds minder.

Hij had zijn leven eigenlijk al opgegeven toen er opeens een stuk jongere vrouw in zijn leven kwam die medelijden met hem had en hem wilde verzorgen. Ze gaf hem allerlei zalfjes voor zijn huid en thee getrokken van bittere wortels, traditionele Dajak recepten. Hij mocht ook geen spullen meer uit blik en pakjes eten, waar hij redelijk aan verslaafd was, “omdat daar allerlei chemicaliën in zitten”. Hij moest de traditionele kost eten.

Hij begon te genezen en kwam erachter dat het diabetes was dat hij had. Nu is de ‘traditionele kost’, herkenbaar eten dus, veel groeten en vlees en weinig nasi en dus niet geraffineerd, een prima geneesmiddel tegen diabetes…
Hij noemt zichzelf nu genezen maar ik moet wel zeggen dat zijn huid er hier en daar slecht uit ziet (eczeem) en hij niet gezond oogt. Maar gelukkig hoeft hij geen insuline te spuiten. 

Deze lieve jonge vrouw wilde eigenlijk niet meer weg van hem en zo trouwde hij toch voor de tweede keer.
Met haar heeft hij overigens geen kinderen gekregen.

De gevaren van de jacht

Al pratend wijst hij op een houten stok van van twee meter waar een scherp stuk ijzer aan is vastgemaakt. Een Dajak speer, een stukje vakwerk. Daar heeft hij al heel wat bosvarkens mee gedood. In samenwerking met de 4 honden die hij heeft en die het varken naar hem toe opjagen. Of hij daar nu nog mee op pad gaat? “Nee, dat is al lang geleden. Nu hebben we geweren.” Hij loopt naar achteren en laat me zijn 4 geweren zien waaronder een door de Dajaks zelf nagemaakt oud Nederlands VOC model.
“Dat is veel makkelijker en minder gevaarlijk.”
Hij laat een flink lidteken zien aan zijn rechterkuit die doorboord werd door een varken dat in paniek op hem af stormde recht de speer in. Maar dat nog genoeg kracht had om met zijn vlijmscherpe hoektanden zijn kuit open te rijten. Hij kon niets meer en zijn kuit bloedde voortdurend ondanks het verband van zijn bloes die hij aan stukken had gescheurd.
Ze waren met zijn tweeën en zijn vriend ging hulp halen. Maar dat zou wel een dag duren. Ze waren ver het bos in gegaan. Dus zat hij de hele nacht met een bloedende kuit tegen een boom terwijl de muggen hem lek staken Maar dat laatste merkte hij niet, zegt hij, omdat hij zo’n pijn aan zijn kuit had.
Tegen 11 uur de volgende morgen werd hij lijkbleek door 4 vrienden naar het ziekenhuis gedragen waar hij een paar dagen nodig had voor hij weer kon opstaan.
Nu loopt hij met zijn 68 jaar nog steeds met zijn geweer het bos in als hij vrij heeft. Hij werkt namelijk als beveiliger bij een Indiase firma die silica zand exporteert voor de chip-industrie van India. Het is vreemd om te beseffen maar deze streek bestaat voor duizenden vierkante kilometers voornamelijk uit wit zilverzand. Daarop zit een dun laagje vruchtbare grond die nu snel aan het wegspoelen is door al het gekap en al die regen…
Hij krijgt bij dat zandbedrijf een mager loon maar het is voldoende voor de dagelijkse uitgaven. De 5 kinderen zijn gelukkig al volwassen en hebben een eigen gezin.

Een bezoek aan het bos

Die nacht wordt ik verschillende keren wakker van de ongeloofelijk harde regen die op het dak klettert. En dat gaat maar door tot nog lang nadat het licht is geworden. Al dat water moet wel ergens naar toe blijkt later in het bos.
Pak Alim en YuyuWe gaan een stuk wild oerwoud, 20×20 km, van zijn familie bekijken.
Yuyu rijdt op onze motor en Pak Alim gaat bij mij achterop op de motor van zijn vrouw omdat hij zelf geen motor kan rijden. Hij heeft niet zoveel op met al die moderne techniek. Behalve dat geweer dan. 

We rijden een paar kilometer met de motor over de vrij nieuwe asfaltweg. Vervolgens een modderweg op die zo glibberig is dat pak Alim en ik onderuit gaan. Gelukkig hebben we geen snelheid en heeft hij niets en ik een paar schrammen. We laten de motoren achter zowat midden op het modderpad. De helmen gewoon aan de spiegel gehangen. Hier wordt (nog) niet gestolen.
Na twee kilometer lopen door omgeploegd terrein, hier wordt een plantage voorbereid, bereiken we dan de bosrand waar het terrein van Pak Alim begint. Hij blijkt de eerste 100 hectare zelf te bezitten. Als we daar doorheen zijn komen we, via een brug over de rivier, op het terrein van de familie.

Op het super glibberige pad, overal stromen kleine beekjes vanwege het water dat die nacht gevallen is, praten we over zijn land.
“Als je 100 hectare hebt ben je toch een rijk man?”
Maar zoals gezegd wil hij dat niet te gelde maken omdat de enige manier om dat te doen is om eerst de bomen om te hakken. Vervolgens “is het bos dood en wordt de grond verwoest”. En dat wil hij niet.
“Denken alle Dajaks zo?”, vraag ik.
“Nee, dat is heel verschillend. De oude Dajaks meestal wel maar de kinderen gaan meestal voor het geld en de auto.”
“En de vruchten verkopen of de bladeren of de medicinale struiken?”
Hij kijkt me berustend aan. Hij heeft lieve ogen maar straalt een innerlijke kracht en kennis uit. Ik ben duidelijk een leek.
“Er is hier zoveel grond dat iedereen dat kan doen voor weinig geld en het dus niets oplevert. Ook zijn alle vruchten tegelijk rijp. Dus ook die leveren niets op.”

Vroeger hadden we geen geld nodig

Vroeger was het zo dat de Dajaks nauwelijks geld nodig hadden. Ze gaven elkaar vruchten voor niets en schoten wat ze nodig hadden aan vlees. Hij ging in zijn jeugd soms een maand lang het bos in, bouwde boshutten en leefde van wat hij schoot en kon verzamelen. Als hij er genoeg van had kwam hij terug met een wild bosvarken of een ander dier. Geld bestond niet in zijn wereld.
Maar toen trouwde hij en kwamen de kinderen en de school. Daar moest geld voor komen. Ook kwam er tv en moesten ze elektriciteit hebben en dus een genset. En toen kwamen de jajans (spreek uit djadjans = snoeprepen) die de kinderen wilden eten en die hij ook wel lekker vond. En de kinderen wilden al die moderne dingen eten van op de tv en die kosten geld. En zo werd het steeds moeilijker om aan voldoende geld te komen.
Ook kwamen er steeds meer mensen van buiten, Javanen, hier wonen. Die kregen van de regering een stuk grond dat ze mochten bewerken. En die spraken een heel andere taal en met hen hadden ze niet zo’n contact als met de Dajak’s onderling. Die deden dus alles met geld en dan ga je daar vanzelf steeds meer in mee.
Land bebouwen kan wel maar de grond is hier arm. Als de rijke bosgrond weg is gespoeld blijft er zandgrond over. Die grond is gauw uitgeput. Maar het bos levert altijd wat op.

Het water staat hoog

Ondertussen zijn we in de buurt van de rivier gekomen waar het overgeorven land van de familie begint. Maar de rivier krijgen we niet te zien. Nou ja eigenlijk wel want het bos in de buurt van de rivier is in de rivier veranderd. Het water stroomt gewoon door het bos heen en is veel te diep om doorheen te waden. Nog los van het feit dat er af en toe een krokodil te vinden is die nu vrij spel heeft.
De rivier buiten de oeversPak Alim is verbaasd. Zo hoog heeft hij het water nog niet zien staan. Het stroomt vaker over maar dit is zeldzaam. De brug is zo goed als zeker weggespoeld en zal opnieuw aangelegd moeten worden. Twee bomen kappen en wat touw spannen dus dat valt mee.

De rivier is kapot

We zullen moeten omkeren. Maar eerst gaan we even op de hurken zitten (de grond is kletsnat) om te praten. PakAlim heeft niet alleen een geweer bij zich maar ook een parang (groot hakmes) waarmee hij een stukje bos vrijmaakt om wat licht te hebben en wat ruimte.
Hij schraapt ook een stuk schors af van een boom waaronder een mooie rode kleur te voorschijn komt. Net als Mahonihout. Ik ben de naam van de boom al weer vergeten maar Pak Alim vertelt dat dit de bomen waren waar hij vroeger boten mee maakte toen hij voor zijn 5 kinderen geld moest verdienen. Hij maakte dan gedurende een maand op een droog stuk bos een prauw en als er dan hoog water was kon hij hem zo de rivier op duwen. Dat leverde een mooie som geld op. En de mensen maar verbaasd zijn dat hij die zware boot in zijn eentje naar de rivier had gesleept!

“Maar nu kan dat niet meer. De rivier is kapot. Iedereen is maar goud aan het winnen in de rivier en bovendien gaat al het vervoer over de asfaltweg die is aangelegd. Dus niemand heeft de rivier nog nodig voor vervoer.”
De rivier is kapotIk had de dag tevoren al samen met Yuyu gezien hoe de rivier ‘kapot is’. Duizenden mensen, misschien wel tienduizenden mensen op Kalimantan verdienen hun geld met het zoeken naar goud. Dat is eigenlijk altijd stofgoud, oftewel kleine korreltjes, net als zand. Tenzij je de bergen in gaat om een ader te vinden en uit te hakken.
Om de stenen van het zand te scheiden en het zand van het goud is veel water nodig. Dus gebeurt dat bijna allemaal bij en in de rivier. Maar wat er overblijft is een rivier die vol zit met gaten en opgespoten zand en waar je op sommige stukken niet eens meer met een beetje boot doorkomt.
Kortom de botenbisnis van Pak Alim is ‘bankroet’, zoals ze hier zo mooi zeggen. Vandaar de baan als bewaker bij het zandbedrijf. Om de televisie en de tandpasta van te kunnen betalen.

Triest einde

Ik vind het een triest einde van de carrière van een man die door het hele dorp gerespecteerd werd om zijn integriteit en kennis van het bos.
De zon begon te schijnen en we liepen terug. Het modderpad was redelijk droog en zonder te vallen kwamen we weer veilig op de asfaltweg alwaar de modder met mooie bogen van de banden afslingert.
Ibu (moeder) wacht al op ons met een warme kop thee.

door Huub Neys – www.hetnatuurlijkeenhetonnatuurlijke.nl

Lees ook:

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.