Eindelijk Samye

De aanloop van mijn reis naar Tibet was een hele lange. In 1998 begon ik met een yoga-opleiding in Ilpendam. Toen ik daar de eerste morgen de lesruimte binnenstapte, zag ik opzij in een hoekje een open rotan kastje met daarin een fotolijstje. Twee wakkere ogen keken me van daaruit aan en ik schrok. Ik voelde me betrapt.
Padmasambhava. Of beter gezegd een beeld van hem, dat hij zelf gezegend zou hebben, in de achtste eeuw. Padmasambhava is de Guru Rinpoche, de grondlegger van het Tibetaans Boeddhisme.

Er gebeurde een heleboel de maanden daarna en mijn eerste confrontatie met Padmasambhava raakte op de achtergrond. Voordat ik Ilpendam weer verliet, kopieerde ik de afbeelding en deze kwam terecht tussen mijn opgeslagen spullen. Een paar maanden later begon ik met het geven van yogalessen in het huis van een vriend en niet lang daarna begon ik te dromen over de Himalaya. Ik zag me lopen op een paadje midden in de bergen en vond een gouden munt. In eerste instantie had ik de hint niet door, maar toen de droom nog twee keer terugkwam, besloot ik op reis te gaan. Ik voelde me diep gelukkig. Misschien zou ik zelfs in het klooster van Padmasambhava terecht komen. Er stond echter een andere confrontatie voor mijn deur. In Leh, Ladakh, Noord-India ontdekte ik dat ik opnieuw ja moest zeggen tegen het leven en de yogalessen los moest laten. De pen die ik langs de Indus vond, wees me voor de zoveelste keer op mijn werk. Hoewel we verschillende kloosters bezochten, vond ik nergens aanwijzingen over Padmasambhava. Terug thuis, vond ik de gekopieerde foto terug met het stukje tekst eronder. Het beeld zou te vinden zijn in Samye, een klooster in Tibet. Opnieuw ging er tijd overheen. Ik begon met het schrijven van artikelen, het uitgeven van een tijdschrift, een boek en werd eindredacteur van een Zondagkrant.   In het voorjaar van 2004 viel de vakantiegids van Djoser in mijn brievenbus en ik sloeg hem open: Nepal, Tibet. Tijdens het lezen van de route bekroop me een bekend en onmiskenbaar verlangen. Hier wil ik nu naar toe. En daar stond het: Samye. Het klooster zat zelfs in het reisprogramma. Ik zocht een datum uit die paste bij mijn werkzaamheden en begon internet af te zoeken naar Samye en Padmasambhava. De gegevens ontroerden me, zoals ik dat eerder meemaakte. De herkenning van een ander leven. Hoe en wat precies, dat was me nog niet duidelijk.  De vertrekdatum van de reis naderde. Ondertussen raakte ik aan het mailen met een reisgenoot. Veertien dagen van te voren worstelde ik me uit een droom wakker. De telefoon ging: ‘Mevrouw van Roij, uw reis is geannuleerd.’ Overstuur liep ik het hele weekend rond, dit kan niet… Waarom gebeurt dit? Is het niet de juiste tijd? Er waren onrusten in Kathmandu. Vrienden probeerden me gerust te stellen. Ik ken mijn dromen. Als het op deze manier gebeurt, dan klopte het tot nu toe altijd! Maar het telefoontje bleef uit. Eén dag voor vertrek werd ik wakker met het dwingende gevoel om mijn mail na te kijken, iets wat ik nooit ’s morgens doe. Een berichtje van de reisgenoot schudde me wakker. Hoewel we van alles over en weer grapten, meldde hij nu op ernstige toon dat ik Djoser moest bellen. ‘De reis gaat niet door.’ Meteen om 9.00 uur belde ik, met een buik vol onrust. ‘Mevrouw van Roij, ik vind het erg vervelend om dit te moeten melden….’ Daar zat ik, dus toch, ik wist het. Niets in het vooruitzicht. Wat nu? ‘U kunt een andere bestemming kiezen, het geld terug laten boeken, of later gaan.’ Ik wist het even niet. Ik ben gewend om altijd overal de zin achter te zoeken. Het bleef stil. Ik had me er zo op verheugd.Een dag later informeerde ik of het mogelijk zou zijn om veertien dagen later te gaan. Dat bleek te kunnen. Ik kon nog insteken, maar moest dan een deel van de vliegreis alleen maken, tegen extra kosten. Ik stemde toe en kon niets anders dan wachten wat hiervan het nut zou kunnen zijn. Eindelijk dan op Schiphol, midden in de nacht, maakte ik even kennis met een paar reisgenoten en ging vervolgens mijn eigen weg. We ontmoetten elkaar weer in Doha. Ria kwam daar naast me zitten en al vlug bleek dat ook Samye haar reisbestemming was. Vanaf het eerste moment was ons contact vanzelfsprekend en vertrouwd. Ook vanaf dat moment begon een cadeautjesregen, die de volle drie weken van de reis doorging. Een stoel in businessclass, Ohm Mani Padme Hum tussen de Tibetaanse pelgrims om de stupa van Bodnath, de thangka van Padmasambhava die ik vond, wolken die wegtrekken voor de kanjers van de Himalaya, een tochtje op in plaats van in de bus, op de Friendship Highway, de adembenemende uitzichten iedere dag opnieuw, de plotselinge ontmoetingen met Tibetanen, de talrijke plasstops langs de weg, achter een rots, of gewoon achter de bus, Samye en nog veel meer.Aangekomen in Kathmandu vertelde Jacqueline, de reisbegeleidster dat het reisschema veranderd was. We vertrekken eerder naar Tibet, de route is anders in verband met werkzaamheden aan de weg en het bezoek aan Samye is verschoven van vóór naar ná Lhasa.

 ’s Morgens staat er een andere bus voor ons klaar. Chinees en zelfs voorzien van airco. Vandaag gaan we van Lhasa naar Tsetang en onderweg bezoeken we Tibets oudste klooster Samye. Tijdens het afscheid krijgen we ieder een katha omgehangen. Ik bewaar hem in mijn kleine rugzak. Het is vreemd om, na een paar dagen lopen, zitten en kijken rondom de Jokhang met al zijn pelgrims, weer in de bus te zitten. Opzij is nog even de Potala zichtbaar. De zo vertrouwde bergtoppen verschijnen weer. De reis gaat verder langs de Brahmaputra en plotseling is daar dan de plek waar we deze rivier over moeten steken om bij Samye te komen. De boot ligt al klaar, gevuld met een heleboel Tibetanen en een paar Chinezen. Het late ochtendlicht geeft nog een bijzondere schijn over de zandbanken, waar we langs laveren. Het duurt me te lang, ik kan geen gemakkelijke houding vinden op een van de houten zijsporten in de boot. Een blik over het landschap aan de andere kant maakt me echter emotioneel. Het is alsof ik thuis kom. Eindelijk Samye. Na, ik schat een uur, staan op de oever een vrachtwagen en een oude krakkemikkige bus klaar. De Tibetanen klimmen in de vrachtwagen. De bus is voor ons  westerlingen. Hotsend en klotsend vervolgen we onze tocht. Soms is er zelfs geen spoor van een weg te bekennen. Ik ben ondertussen gewend geraakt aan de oneffenheden, de Friendships Highway is echter wel ietsje beter. Maar dat deed er de afgelopen weken niet toe. De vergezichten over de kanjers met hun sneeuwtoppen en de toevallige ontmoetingen met kinderen, of nomaden die aan kwamen rennen, tijdens een van de vele plasstops, maakten het grote genieten kompleet. De bus kreunt en zoekt proestend haar weg. Als een oud vrouwtje uit de vrachtwagen stapt met een paar flinke zakken, moeten we even wachten. Ik ben voor het eerst tijdens deze reis ongeduldig. Het vrouwtje zet haar reis bepakt en bezakt voort. Even later rijden we langs een paar eenvoudige onderkomens. Een dorpje mag het misschien niet genoemd worden. Het ziet er wel vriendelijk en knus uit, zoals al de Tibetaanse dorpjes. Varkentjes en wat kippen lopen her en der.  Nog onder de indruk van de eerste aanblik rijden we door de poort van het klooster. Het geheel is ommuurd. In het midden staat de drie etages hoge Grote Hal, met gouden daken. Deze stellen de kosmische berg Meru voor. Rondom staan, naar de vier windstreken vier Ling (eiland)-tempels. Rondom de Grote Hal staan vier grote stupa’s, elk met een eigen kleur. Ook tempels voor de zon en de maan ontbreken niet. Het hele complex is een nauwkeurige weergave van het universum, in de vorm van een mandala.

samye Tot mijn verbazing is het hartstikke druk. Er is een festival. Als het programma zijn gewone aangekondigde route had gevolgd, was hier geen sprake van geweest. Dit is het zoveelste cadeau dat ik krijg tijdens deze reis. Tussen al het geroezemoes door hoor ik zacht monnikengezang. Onze Tibetaanse gids Sandrup staat al bij de Grote Hal te wachten. Ik voel me blijer en blijer worden. Twee woorden verschijnen in mijn gedachten: eindelijk Padmasambhava. Als een opluchtende zucht komen ze opnieuw en opnieuw omhoog. Het klooster werd in 779 gesticht door koning Trisong Detsen. Hij was het die twee bekende Boeddhisten uit India naar Tibet haalde: Padmasambhava, of de Guru Rinpoche en Santarakshita. Het klooster werd gebouwd om Tibetaanse Boeddhistische monniken op te leiden. Het is deze Padmasambhava, waar ik jaren geleden een beeld van zag, in een klein fotolijstje in het yogalokaal waar ik lessen volgde. Ik schrok van het portret en voelde me betrapt. Nu ben ik dan eindelijk, na wat vergeefse zoekpogingen in Ladakh, op de plek waar dat beeld zich zou bevinden.

Ik hobbel wat achter de groep aan en hoor niet meer wat Sandrup te vertellen heeft. Ik ben een en al oor voor de gezangen. Om de Grote Hal is een galerij met gebedsmolens en daarvóór op de grond zitten allemaal monniken. Tranen blijven steken achter mijn ogen en een paar zuchten lijken wat ruimte te brengen in mijn borst. Door een kleine, nauwe deur kom ik in het Tibetaanse deel van de Grote Hal. Ik hoor de bellen en de toeters. In de schaars verlichte, bedompte ruimte tussen allemaal gekleurde doeken en tangka’s worden vele monniken zichtbaar. Op een verhoging zit de Lama die de dienst leidt. Stapje voor stapje loop ik er om heen. Achterin, kijken me de wakkere ogen van een beeld van Padmasambhava aan. We staan een tijdje oog in oog. In zijn handen liggen talrijke katha’s en daar om heen allemaal geldbiljetten. Mijn katha vindt zijn plekje. Op de tweede verdieping ben ik vlug uitgekeken. Op de derde loop ik een paar keer om het middelste gedeelte, de tempel heen. Door een raam zie ik dat heel veel monniken buiten een ritueel uitvoeren. Ze lopen van buiten naar binnen, in één grote cirkel. Achter een paar monniken met toeters lopen stevige mannen in een anders gekleurde pij, de Lama’s.

Als ik weer naar beneden wil lopen zie ik opeens dat een grote deur open staat. Die was me eerder niet opgevallen. Nieuwsgierig ga ik in de opening staan en mijn adem stokt. Daar is ie dan, wéér die ogen. In het midden staat zijn afbeelding en daarom heen zijn, in overeenstemming met de vier windrichtingen, de acht manifestaties van hem geplaatst.

SamyeDe tranen breken eindelijk door. Ik zoek een plekje opzij, nadat ik de aanwezige suppoostmonnik gegroet heb. Het is er aangenaam schemerig. De tranen dwarrelen rustig omlaag. Heel stil van binnen en met een heerlijk tevreden gevoel sta ik, ik weet niet hoeveel later op en besluit naar beneden te gaan. Op de tweede verdieping wenken een paar achtergebleven monniken me. Ze wijzen naar opzij. Gevolg gevend aan hun gebaar zit ik even later op de meest riante plek van het hele klooster, met beneden, recht voor mijn neus het ritueel dat nog steeds niet afgelopen is. De lama’s blijven nog even op het bankje zitten als de cirkel zich ontrold heeft, om de aanwezigen kans te geven foto’s te schieten. Ik zie er ook groepsgenoten tussen staan.  Terug in de bus doet mijn hart zeer. Het is alweer tijd om afscheid te nemen. Met een stille en voldane glimlach, laat ik het klooster en het landschap langzaam achter me. De boot die het afscheid definitief maakt wordt tjokvol geduwd met mensen. Zó vol dat hij niet van de oever schuiven kan. Er zijn een paar mannen met een flinke stok en heel wat schouders nodig om ons op weg te helpen.

Die nacht, in bed, in een groot Chinees hotel, droom ik: ik zit in monnikenkleren aan een schrijftafel en onderzoek de boeddhistische teksten. Er is van alles dat niet klopt, wat dubbel of niet op de juiste plaats staat. Geconcentreerd herschrijf ik de teksten in het Tibetaans.

Mariëtte van Roij – debronfrance.nl

Lees ook:

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.